Welkom in mijn wereld

Kan een psychose een opening bieden naar spiritualiteit

of biedt spiritualiteit een opening naar herstel?

Contact met de andere wereld bepaalt mijn blik. Het verankert het kleine besef in mij dat mijn gekte ook mijn reddingsboei was uit de bodemloze poel van wanhoop waarin ik ooit zonk, dat mijn toenmalige beleving geen verzinsel was of symptoom, maar de sneeuwvlok in mijn hart deed smelten en mijn diepste wezen onthulde in de kleuren van de regenboog. Zat er toch wijsheid in de gekte?

De oude kraai, een vrouwtje denk ik, drapeert haar vleugels statig rond haar lichaam en zegt luidop in mijn hoofd: “Ik zal je vertellen wat ik weet. Dan zul je ze begrijpen, de antwoorden in jezelf. Welkom in mijn wereld van verwondering, schoonheid en troost, mijn wereld vol magie.” Haar stem en mijn stem vloeien in elkaar over, waardoor een gemeenschappelijke stem ontstaat. Het is niet meer duidelijk wie er spreekt. Is dat belangrijk?


Het boek ‘Welkom in mijn wereld’ , in samenwerking met fotograaf Chris Van der Burght, is te koop in de boekhandel.


Hieronder kun je stukjes van de tekst van de verschillende delen van het boek lezen. De vier delen geven samen gestalte aan het archetype van de dwaas…


Voor iedereen die psychisch kwetsbaar is, en vooral voor hen die een psychose doormaakten

Voor iedereen die zich soms verloren voelt

Dank aan iedereen die ik op mijn levenspad ben tegengekomen

En vooral dank aan Grootmoeder Aarde en Moeder Natuur


Witte Zwaan spreekt

een psychose geeft weer kleur aan mijn leven,

de natuur redt me uit de waanzin…

Het zou waar kunnen zijn, het zou kunnen. Ik wil schrijven: ‘het is waar’. Het lijkt toch zo, maar ik wil je niet afschrikken. Ik tracht de eindeloze stroom van indrukken te bevatten met woorden, want als mens heb ik daarvoor woorden nodig. Ik ken de woorden nog niet, misschien bestaan ze zelfs nog niet, toch niet in de volgorde die ik schrijf. Ik zal mijn woorden gebruiken, mijn inzichten, mijn waarheid die misschien niet jouw waarheid is, maar misschien zijn mijn woorden op dit moment de juiste woorden voor jou. Woorden worden op die manier levend, zoals liederen. Ik twijfel, zou ik niet beter zwijgen, zullen mijn woorden de juiste toonaard zingen? Zal ik jou niet ongewild meesleuren in een wervelwind van gedachten en emoties? Met welk recht? Ik heb de pretentie woorden gevonden te hebben, voor mij althans en misschien ook voor jou, woorden van troost en woorden van hoop. Toch heb ik nog steeds angst om mijn nieuwe woorden te verliezen, want het zijn niet helemaal mijn woorden. Ze worden me namelijk ingefluisterd.

Ik vraag wat ze willen dat ik schrijf. Ik luister. Mijn ogen worden geleid naar de boekenplank naast mij, waarop twee vaasjes staan met vogels en bloemen erop geschilderd en twee giraffen als boekensteunen, naast elkaar zonder boeken ertussen. Na het schrijven van deze zinnen kijken mijn ogen opnieuw naar de boekenplank, alsof ik op die manier bevestiging krijg dat het goed is. Mijn vraagstelling is verkeerd, zeggen ze, ze willen niet opdringen wat ik moet schrijven, ze willen samenwerken. Ik voel op dit moment hun aanwezigheid in mijn rug, ze zijn mijn ruggensteun, mijn duwtje in de rug. Ze sporen me aan om zinnen te schrijven en blij te zijn met het resultaat, gewoon te zien waar het toe leidt. Ik ben benieuwd. Zij ook, zeggen ze. Ze zijn blij dat ze eindelijk contact hebben, ze zagen al een tiental jaar toe op dit appartement. Ze zagen het gebouwd worden en bewoond worden door mij. Ze beschermden mij, bepaalden mee hoe mijn omgeving zich vormde, want het was ook hun omgeving. We leven samen op deze plek. Ik zag ze al wel, de oude es en de esdoorn in het parkje. Ze waren zelfs de reden waarom ik naar hier verhuisde, maar het is pas nu dat ik hen hoor, hen hoor spreken. Ik wil opschrijven wat zij me vertellen, maar zo werkt het niet. Ze helpen me, maar ik zal zelf het verhaal moeten verzinnen. Neen, het is anders, ik moet geen verhaal verzinnen, ze willen dat ik de waarheid vertel, onze waarheid. Maar hoe kan ik die waarheid vormgeven als er niets gebeurt? Denk ik verkeerd? Ze willen geen fictie, dat is duidelijk. Toen ik zonet op het balkon naar hen stond te kijken met een zachte regen op mijn gezicht en de vraag stelde of ze fictie wilden, schrok ik op door het afschuwelijk luide gepiep van een voordeur die openging in de straat. Non-fictie dus. Over hen? Zoveel weet ik niet over hen. Over ons? Dat we nu contact hebben, daar is het meeste mee gezegd. Over ons gemeenschappelijk dagelijks leven hier? Dat klinkt al beter in hun oren. Dat ik antwoord dat geen kat daarin geïnteresseerd is, wuiven ze weg. Een dagboek dus, als ik het goed begrijp. Stilte. Ze weten niet beter, denk ik, ze kennen geen verhalen. Ze onderbreken mij, jazeker, zij kennen ook verhalen, maar zij geloven dat de mensen willen lezen wat echt is, geen verzinsels. Goed, argumenteer ik, maar wat kan ik schrijven over ons, hier op deze plek, waar momenteel niet veel gebeurt en waar meestal niet veel gebeurt? Wat voor interessants, dat anderen willen lezen tenminste, kan ik schrijven? “Ons spreken,” zeggen ze. Misschien wel, denk ik, ik zal het proberen.


Dwaas neemt het woord

een verhaal …

“Het begon met één klank.” “Welke klank?” vroeg Dwaas. “Het begon met de ‘S’, zoals de slang sist en vuur sist als er water op valt. Met een eenvoudige ‘es’, de naam van de levensboom, met een gewone ‘esse’, wat zijn betekent in het Latijn. Niet meer en vooral niet minder. Het leven begon met de ‘S’, een zachte klank die steeg als een rookpluim in de vorm van een ‘S’, omhoog de wereld in. Zo begon het,” fluisterde Kraai met nadruk. “Ja,” zei Dwaas, “ik zie het voor me,” en hij tekende de letter ‘S’ na in het zand. “De tweede klank was de ‘O’, die zich verbaasde over het resultaat van de ‘S’. Zie je de tekening van de ‘O’, een cirkel? Een teken dat alles terugkeert, al is het in een andere vorm, de kringloop van het leven. En so gebeurde,” zei Kraai plechtig.

“Je zegt toch niet ‘so’ maar ‘zo’?” zei Dwaas. Kraai antwoordde: “De ‘Z’ is de spitse ‘S’, of de ‘S’ is de ronde ‘Z’. De ‘S’ en de ‘Z’ zijn nauw verwant. Kijk naar wat ik teken, zo schrijf je dat, want eigenlijk teken je de klanken. De ‘Z’ is de tekening van een bliksemschicht. Het leven begon als een langzaam kronkelende ‘S’ en tegelijkertijd in een oogwenk als de inslaande bliksem ‘Z’, want de ‘S’ en ‘Z’ zijn gelijke klanken en toch ook niet gelijk. Gelijk en toch niet gelijk, het grootste raadsel van de wereld.”

Dwaas had er plezier in. Hij zou zoveel leren, gretig luisterde hij naar Kraai. “Met de letters van het alfabet kun je spelen. Spelen met letters is als toveren, denk aan ‘abracadabra’.” “Spelen, ja, dat doe ik graag maar de letters van het alfabet, dat is moeilijk. Ik kan het alfabet niet opzeggen.” “Dat moet ook niet, je moet de letters niet in volgorde leren, je moet ermee leren spelen. Spelen en tekenen kun je, ik heb je al zitten gadeslaan. Je hebt een gave, Dwaas, want jij ziet, hoort en voelt als een klein kind. Jij kunt dat omdat je niet anders kunt.” “Ja, ik kan niet anders dan dwaas zijn.” “Dat gaat je kracht zijn.”


Eindeloze reis

sjamanistische trancereizen bieden een blik in mijn innerlijk…

De leraar legt de beginselen van trancereizen uit en vooral zijn woorden ‘eer je eigen ervaring’ zinderen na. “Niet iedereen,” zegt hij, “krijgt fantastische beelden door, soms zijn woorden of gedachten voldoende, of een gevoel of een eenvoudig weten.” Het stelt me gerust, want wat als het niet zou lukken? Wat als ik niets zou zien? “Je zal zeker iets ervaren, eer je ervaring,” zegt hij. Ik ben benieuwd. Hij begint op de trommel te slaan en ik begin aan mijn eerste trancereis om op zoek te gaan naar mijn krachtdier, het dier dat me zal vergezellen op al mijn latere tochten.

Ik stel me de grote es die in het parkje bij mijn appartement staat, voor als de levensboom. De levensboom, die zich vertakt naar de bovenwereld, die glorieus in de middenwereld verankerd is en diepe wortels heeft tot in de onderwereld, is het vertrekpunt van alle trancereizen, toch volgens de methode die ik aanleer. Ik stel me aan het begin van elke trancereis voor dat ik aan de wortels van een grote es sta. Door steeds op dezelfde manier te beginnen aan een reis, geraakt men gemakkelijker in een staat van lichte trance en beïnvloedt men het verdere verloop van de reis niet. Ik weet nooit op voorhand in welke wereld ik ga terechtkomen. Pas als ik mij in het begin van de trance de boom visualiseer, wordt mij getoond of ik naar beneden moet afdalen, op de vaste grond moet blijven of in de takken moet klimmen. Ik voel wat er zich aandient en volg het verhaal. Op deze eerste trancereis merk ik dat de stam van de es hol is en dat ik door haar stam naar beneden kan afdalen, wat ik ook doe, hoewel ik meer naar beneden uitglijd dan op een elegante manier mijn voeten zet. Mijn krachtdier bevindt zich klaarblijkelijk in de benedenwereld, wat niet noodzakelijk is maar wel het meest logisch. De meeste dieren, toch in hun oorspronkelijke oervorm, bevinden zich in de benedenwereld, waar onze voorouders leven en waar het verleden heerst.

Beneden is het donker, ik heb het gevoel dat ik in een grot ben, het is pikkedonker. Op de tast zoek ik een uitgang. Mijn handen voelen de ruwe rotsachtige wanden en voorzichtig schuifel ik verder. Ik vind een doorgang en ik kruip op handen en voeten naar buiten, ik voel de koelte van de wind, maar het is nog altijd donker. Ik voel me hulpeloos omdat ik niets zie, ook niet buiten de grot. Ik vraag wie mijn krachtdier is en of het zich wil openbaren aan mij. “Ik, ik, ik,” hoor ik van dichtbij roepen. “Ik zie je niet,” zeg ik. Ik weet dat mijn krachtdier aanwezig is, maar ik kan haar tot mijn frustratie niet zien. Ik word opmerkzaam gemaakt hoezeer ik aangewezen ben op mijn gezichtsvermogen en dat ik nu moet vertrouwen op mijn gehoor, mijn gevoel en mijn tastzin. In de verte ontwaar ik een oranje lichtschijnsel en ik stap ernaartoe. Het is een houtvuur, hoge vlammen reiken omhoog. Ik begrijp dat het nacht is en dat ik daardoor niets kon zien. Ik ruik het vuur, de vlammen schitteren in mijn ogen door het contrast met de zwarte nacht, ik voel de hitte. Een man met een hoofdtooi met kleurrijke veren, zodat ik vermoed dat hij een indiaans opperhoofd of medicijnman is, danst rond het vuur met zijn armen wijd open, waarrond hij grote vleugels heeft gebonden. Ik zie in de schaduwen grote vleugels op de grond liggen, ik doe ze aan en ik dans mee. We dansen samen rond het vuur, telkens weer, onvermoeibaar op het ritme van de trom. Opeens zie ik een groot zwart oog glinsteren. Het kijkt me aan. Het oog draait weg en ik zie duidelijk de kop van een oude vrouwelijke kraai. Zij vliegt weg, maar ik weet dat die kraai mijn krachtdier is.


De kracht van de dwaas

de tarot als leidraad voor het leven…

Is een psychose louter een verstoring van de hersenwerking, zoals de wetenschap beweert, of zijn er meerdere facetten, zoals ik het ervaarde? Heb ik echt geen ziekte-inzicht als ik beweer dat er iets meer is? Was ik ziek en was er niet meer dan dat? Zijn het vooral mijn hersenen die mij tot mens maken? Mijn onderbewuste, mijn innerlijk kind en mijn spirituele zijn pleegden volgens mij een staatsgreep in mijn bewustzijn, ze spraken in mij, ze schreeuwden het uit en wilden gehoord worden. De externe wereld is wat de meerderheid van de mensen goed kent. Ik kon ook niet zonder die buitenwereld en bouwde na mijn psychose mijn muren sterker weer op, maar deze keer met kijkgaten. Want ook de sterren boven bevinden zich in de buitenwereld, en het minuscule guichelheil. Aarding, structuur, medicatie en rust verzachtten de prikkels van buiten, maar de gevoeligheid voor de andere wereld bleef. Maar waar was het dieptewerk? Waar was het hoogtewerk? Buiten keek ik ook omhoog. En buiten voelde ik ook vanbinnen. Beneden, binnen en boven spreken verhuld. Ze spreken in beelden en verhalen, in de droomtaal van de andere wereld. Ik kende die symbolische taal niet, ik had ze nooit geleerd, maar ze sprak niettemin, ondanks mijn angst voor de nachtmerrie.

Nu ik de eigenaardigheden van die taal bevallig aankijk, schept ze feeërieke wonderen op mijn pad. Het onderliggende, het subtiele, het mysterieuze wordt niet ontsluierd maar toont zich in al haar schoonheid. Als een caleidoscoop. Deze oertaal voel ik met mijn wezen, deze taal denk ik niet met mijn hersenen. Mythologie, tarot, astrologie, dieren, bomen en planten scheppen de verhalen in mijzelf. Ik draag net als iedereen een stukje mythologie in mezelf, verhalen die zich op wonderlijke wijze verweven met de verhalen van anderen.